Na het lezen van dit KPMG rapport, de reactie daarop van de vereniging voor wijkwelzijnsvoorzieningen en daarna nog de memo van het college, was mijn eerste reactie, dit agendapunt moet van tafel vanavond.
Reden daarvoor was mijn constatering dat er een te groot wantrouwen is van de vrijwilligersinstellingen richting gemeente.
Dit wantrouwen wordt door alle drie boven genoemde partijen erkend.
Doordenkend kom ik tot de conclusie, wij moeten dit rapport wel behandelen omdat dit KPMG rapport ons inziens goede uitgangspunten bevat, hoe het welzijnswerk in de toekomst vorm te geven. Dus wel bespreken vanavond. Maar het kan volgens de VVD niet zo zijn dat dit nog vier weken regerende college al een begin gaat maken met de uitwerking van dit rapport, daarvoor is dit grote wantrouwen van de vereniging een te grote barrière.
Op bovengenoemd wantrouwen kom ik nog terug.
Ik wil eerst op drie punten van het rapport ingaan, n.l. 1e de knelpunten inzake het maatschappelijk vastgoed, 2e het onderhoud van de gebouwen en 3e het W.G.I., ofwel het nieuw in te stellen werkgeversinstituut.
In de memo van 16 november van het college spreekt het college op pgn. 10 uit, voorstander te zijn van ingrijpende veranderingen van het wijkwelzijnswerk.
Voorzitter, hoe nu verder na vanavond.
Onze conclusie is, dat hier een goed rapport ligt welke als basis genomen kan worden voor veranderingen binnen de instellingen.
Maar wij zijn ook van mening dat dit college niet meer aan deze "klus" mag beginnen. Reden is hiervoor het geconstateerde groot en breed gevoel van wantrouwen binnen de wijkwelzijnsinstellingen richting gemeente. Als veranderingen in het welzijnswerk ook tot verbeteringen
moeten leiden dan kan dit alleen met wederzijds vertrouwen. Voorzitter, dit vertrouwen is er niet, dus gaan we nu op dit moment aan de slag dan heeft deze "klus" in de ogen van ons geen enkele kans van slagen.
Wij zijn van mening dat na de bespreking van dit rapport vanavond de betreffende wethouder het rapport op de rechter hoek van haar bureau legt en het rapport na 3 maart overgeeft aan haar opvolger/ster.
De eerste taak van haar opvolger/ster moet dan ook zijn, het verloren gegane vertrouwen terugwinnen. Dat kan alleen door met de mensen van de wijkwelzijnsinstellingen op basis van gelijkheid om tafel te gaan, deze mensen weer serieus te nemen en dan gemaakte afspraken na komen. De mensen van de wijkwelzijnsinstellingen verdienen zo'n opstelling.
Veranderingen laat staan verbeteringen zonder onderling vertrouwen zijn ons inziens ondenkbaar.
Jos Rikkerink